Energiearmoede centraal in nieuwe TNO-doorrekening
Demissionair minister Sophie Hermans, verantwoordelijk voor Klimaat en Groene Groei, waarschuwt in een nieuwe Kamerbrief voor hardnekkige energiearmoede. Ze baseert zich op een cijfermatige prognose van TNO. Die prognose volgt op een motie uit 2023 van toenmalig NSC-Kamerlid Wietske Postma, die wilde weten hoe de energietransitie kan slagen zonder extra energiearmoede te veroorzaken.
TNO leverde eerder een kwalitatief rapport aan en rekende nu de gevolgen door. De nieuwe doorrekening bevestigt het eerdere beeld: woningverduurzaming helpt tegen energiearmoede, maar lost het probleem niet op. De kosten voor het verzwaren van het stroomnet en het oplossen van netcongestie komen via hogere nettarieven terecht op de energierekening. Vooral die stijgende vaste kosten duwen kwetsbare huishoudens verder richting energiearmoede.
Hoe TNO meet en volgt
TNO kijkt bij energiearmoede naar drie factoren: inkomen, de hoogte van de energierekening en de kwaliteit van de woning. Huishoudens met een laag inkomen en een hoge energierekening vormen de groep LIHE. Huishoudens met een laag inkomen en een slecht geïsoleerde woning vallen in de groep LILEK. Samen vormen deze groepen het totaal aantal huishoudens in energiearmoede.
In 2024 ging het naar schatting om 510.000 huishoudens, zo blijkt uit eerder onderzoek van TNO en het CBS. Dat aandeel komt uit op ongeveer 6,1 procent van alle huishoudens. In 2022 en 2023 lag dit nog rond 4 procent. De stijging hangt vooral samen met het verdwijnen van steunregelingen, zoals het prijsplafond en de energietoeslag. Tegelijk ligt het huidige aandeel energiearme huishoudens nog onder het niveau van 2019, toen bijna 8,6 procent van de huishoudens met energiearmoede te maken had.
(Dit artikel gaat verder onder de grafiek)
Ontwikkeling energiearmoede
Energiearmoede verschuift van slechte huizen naar hoge vaste lasten
Voor de toekomst verwacht TNO een forse daling van het aantal huishoudens in slecht geïsoleerde woningen. Vooral woningcorporaties moeten hun bezit versneld verduurzamen. Daardoor kan de groep LILEK-huishoudens in 2040 met 90 procent dalen, en in 2050 zelfs met 99 procent, vergeleken met 2024.
Toch blijft energiearmoede als totaal probleem bestaan. Volgens TNO ligt het aantal huishoudens in energiearmoede in 2030 slechts 9 procent lager dan in 2025. Na 2030 neemt de groep zelfs weer iets toe. De energierekening stijgt verder, vooral door hogere vaste kosten voor netverzwaring. Die stijgende energiekosten wegen zwaarder dan de verwachte, lichte afname van het aantal lage inkomens.
Energiearmoede vraagt om eerlijke verdeling van kosten
TNO concludeert dat energiearmoede steeds meer draait om verdeling: wie betaalt welke kosten van de energietransitie. De overheid moet daarom niet alleen inzetten op woningisolatie, maar ook op betaalbare toegang tot warmtepompen en andere elektrische oplossingen. Daarnaast vraagt de verdeling van kosten voor een gasaansluiting om politieke keuzes.
De berekeningen van TNO gaan uit van het halen van de huidige verduurzamingsdoelen in de gebouwde omgeving. In de praktijk lopen woningcorporaties achter op afspraken over duurzame warmte. Ook veronderstellen de berekeningen dat inkomens de komende jaren blijven stijgen. Valt dat tegen, bijvoorbeeld bij een crisis, dan kan energiearmoede veel groter uitvallen.
Hermans ziet dat energiearmoede steeds meer samenvalt met armoede en verdelingsvraagstukken. Een rechtvaardige verdeling van kosten en baten van de energietransitie vormt daarom een belangrijk onderdeel van toekomstig beleid tegen energiearmoede. De concrete keuzes schuift ze door naar haar opvolger. Wel kondigde ze een Nationaal Energiearmoede Observatorium aan, dat vanaf 1 januari 2026 energiearmoede en de effecten van beleid actief volgt.
TNO: Rapport invloed overheid op energiearmoede (2025)
Meer over inzicht energieverbruik






















AAH de Bok
De belasting op energie is de oorzaak. Die is nl idioot ook, het hoogste van heel Europa. Verduurzamingsdoelen voor de idiote klimaat maatregelen die sowieso geen enkel invloed hebben, moeten worden aangepast